DIERENKRONIEK V door Jonah Falke

‘Die heks uit Halle’ is een engel voor wilde dieren, met een hert en struisvogel als huisdieren.

Petra in de weide bij het damhert en de struisvogel

Wie door dit land rijdt, krijgt soms de indruk dat het uit niets anders dan fantasieloze industrieterreinen bestaat. Er is geen mens te zien, laat staan dieren. Platteland wil stad worden. Het is de tol van de vooruitgang, volgens sommigen. Petra (55) en Toon Lesterade (58) kijken fronsend naar die ontwikkeling. Ze zien namelijk dagelijks de bijwerkingen.

Het eekhoornjong wordt dagelijks meerdere keren door Petra gevoed.

Verscholen in de bosjes van Halle runnen ze vrijwillig een opvang voor wilde, ontheemde en verweesde dieren: de ark van Noach. Ze zijn 24/7 bereikbaar. Ongeveer 95% van de dieren die worden binnengebracht zijn gevolg van menselijk handelen. Een omgekapte boom, de aanleg van een weg, zwerfafval, een scooter die een vogel raakt, enzovoorts. Het gaat om vierduizend dieren per jaar. Het zijn dieren zonder eigenaar: vogels, eekhoorns, wilde zwijnen, ganzen, eenden, marters. ‘Inheemse dier noem je ze: dat betekent dat we er als mensen verantwoordelijk voor zijn,’ zegt Toon. Maar als iedereen aansprakelijk is, voelt bijna niemand zich geroepen.

Ze vertellen terwijl ik gebiologeerd kijk naar de twee vlechten die over Petra’s schouders hangen, net als countryzanger Willie Nelson. Ook Toon heeft ook een vlecht, maar die zit verborgen onder zijn blouse. De wrok tegen de maatschappij en haar expansiedrift is snel de gesprekken ingeslopen. De mens lijkt in hun ogen vaak schaapachtig, een kuddedier. De vlechten beginnen te dansen als Petra’s opgewonden spreekt.

Petra en Toon tonen een korte voorlichtingsfilm

Toch is die veranderende wereld ver weg van hier. We lopen stapvoets langs de hokken. Petra vraagt of ik zacht wil praten. Ze draagt kunststof klompen – omdat die geen geluid maken. We stoppen en Petra fluistert: ‘De dieren moeten schuw blijven. We verzorgen ze en dan gaan ze zo snel mogelijk weer terug de natuur in.’

‘Ze zijn niet aaibaar of zielig,’ zegt Toon. 

Boven een afdakje staat: Wie niet als vriend binnen huppelt, wordt eruit geknuppeld. ‘Laat mij maar die heks uit Halle zijn,’ voegt Petra toe. ‘Vroeger wilde ik nog aardig gevonden worden, maar dat is het voordeel van ouder worden, dat speelt dan niet meer zo.’ Ze wonen tussen de hokken, in een voormalige kippenschuur. Er is een verdieping bovenop gezet, op palen. ‘Laat het water maar komen, zoals bij de ark van Noach,’ zegt Toon lachend. We lopen verder en komen ook de – slechts zeventien jaar oudere – moeder van Petra tegen, die in de tuin rondwaart. Ze zal niet spreken, slechts wijs naar me glimlachen. Praten is ook ondergeschikt bij dieren. Het gaat om kijken en zwijgen. Door een beroerte raakte Toon zijn spraak even kwijt. ‘Eerder vroeg ik Toon weleens of hij zijn kop kon houden, maar dat doe ik nu echt niet meer,’ lacht Petra.  

Zoals je kunt verwachten op de ark van Noach, zijn Petra en Toon’s huisdieren een hert en een struisvogel. Ze kwamen op hetzelfde moment binnen – en bleven. De beesten vormen sindsdien een koppel, dat elkaar beschermt. Ook het verbond tussen Toon en Petra was snel beklonken, ze vormen in eerste situatie ook een wat merkwaardig koppel. Petra leefde altijd al met de dieren. In een vorig leven werkte Toon op een kantoor. ‘Als ik er niet was geweest, lag je misschien nog in de goot,’ zegt Toon met veel gevoel voor ironie.

‘Andere mannen vertrokken snel,’ lacht Petra, ‘die wilden graag samen avonds op de bank zitten met een hand op de knie.’

Vader Toon en zoon Shakib

Tot slot laat Toon me samen met zijn zoon Shakib een stuk land tegenover de opvang zien. ‘We kregen een legaat om iets voor de dieren te doen,’ zegt hij. Ik zie het niet met het blote oog. Deze grond mag echt natuur zijn, er mag geen mens komen. Dit is de toekomst zoals zij die het liefste zien. Of de mogelijke opvolger van de ark van Noach de toekomst hetzelfde als zijn vader ziet, valt te betwijfelen. Shakib draagt een trui van Max Verstappen. Er staan wedstrijddata op, waaronder: september 2021. Voor het Formule 1-circuit in Zandvoort moest de natuur wijken en sloegen er dieren op de vlucht.

Deze vijfde dierenkroniek verscheen vrijdag 26 augustus in de Gelderlander. Tekst Jonah Falke en fotografie Peter van Tuijl.

DIERENKRONIEK IV door Jonah Falke

Omdat het in dit asiel verouderd is, valt de liefde nog meer op

Op het industrieterrein, tussen een benzinestation en een sportschool, bevindt zich in de bosjes het asiel. Alles gaat op afspraak, om de boel zo rustig als mogelijk te houden voor de dieren. Vrijwilligster Carmen Mecking (61) komt me tegemoet. Ze draagt een pet en heeft haar nagels mooi groen gelakt. Ze vertelt over de “buiten”  katten die we in een buitenverblijf zien zitten, maar zegt dan snel: ‘Zelf ben ik ben helemaal verhondst.’  

De hokken en het gebouw zijn verouderd. Er is meer geld van sponsoren nodig om de boel op te knappen. Uiteraard weegt het lot en het welzijn van de dieren het zwaarst. Geldgebrek maakt creatief. Alles wordt benut. Daarnaast zijn dieren – en misschien deze medewerkers ook wel – niet in de eerste plaats bezig met esthetiek. Het primaire belang van de dieren is onderdak en voedsel. Voor de medewerkers draait het om dierenliefde.  

Carmen volgde de opleiding “Hersenwerk voor honden”. Ze heeft bij een hondenschool les gegeven maar is na verloop van tijd tot de conclusie gekomen dat ze liever één op één met honden werkt.

De liefde voor het dier heeft ook treurigs. Ik kan me namelijk nooit aan de indruk onttrekken dat de dierenvriend – op wat voor manier dan ook – een beetje teleurgesteld is geraakt in de mens. Hoewel het vormgeven aan deze teleurstelling me erg bevalt. Geen liefde zonder melancholie. En omdat het in dit asiel verouderd  is, valt de liefde nog meer op.

We lopen langs de hokken van honden die wachten op een ander leven. ‘Mensen zeggen vaak dat ze een dier redden uit het asiel, dat is natuurlijk niet zo,’ benadrukt Carmen. ‘Hier wordt er ook goed voor hen gezorgd.’ Alle honden blaffen verwachtingsvol naar ons. Dat niet alle honden gelijke kansen krijgen is net als in de mensenmaatschappij, de mooie, slimste, snelste hebben een streepje voor. Maar voor Carmen, zijn álle dieren gelijk, en ze richt zich het liefst op de wat moeilijkere dieren.

Ze masseert ze, doet ‘hersenwerk” knuffelt en speelt met ze. Waaronder Lizzy, de hond die al het langst in dit asiel woont. Ze praat over Lizzy alsof het een boezemvriendin is. Om Lizzy niet te overprikkelen laat ze me haar niet zien. Maar bij het minste geluid slaat ze al aan. In de ren waar ze samen is met Lizzy, is het gras verlopen en liggen tientallen verscheurde knuffels. De restanten van een slagveld. ‘Maar,’ zegt Carmen, ‘ik wordt altijd blij als ik Lizzy helemaal rustig maak.’

Een andere hond waarmee ze werkt is Jody. Op een veldje aan de achterkant van het dierencentrum komt ze met haar aanlopen. Jody is opgewonden omdat er vreemden aanwezig zijn, dat ervaart ze als onprettig, volgens Carmen. Dat laat ze merken door aan de lijn te trekken. Als je niet beter weet zou je denken “wie laat wie uit”.

Het hersenwerken begint; snoepjes worden verstopt tussen keukenrollen, ballen in een bak of in een soort dweil zonder steel. De hond zoekt en wordt steeds rustiger. Carmen zegt: ‘Dit spel kun je ook met konijnen en kippen doen. ‘Van deze oefeningen worden ze mentaal heel erg moe .

Vijf tot tien minuten hersenwerken staat gelijk aan ongeveer een half uur lichamelijke inspanning’.

‘Zou het ook iets voor mensen zijn, mentaal moe gemaakt worden?’ vraag ik.

‘Ik denk het wel. Probeer het eens.’ 

Volgens de regels staan we buiten de weide en kijken door de afrastering heen naar Carmen en Jody. Alles zit achter slot en grendel, overal slaat een hek achter je dicht. Ik vraag me af wie er opgesloten zit. De dieren, de mensen of de wereld?

Bij de uitgang staan aan de andere kant van het hek twee opgewonden mensen te wachten. Ze zeggen: ‘We komen een hond halen!’ Gehaast schieten ze door het hek. Als ze konden kwispelen, zouden ze het doen. 

Deze vierde dierenkroniek verscheen 19 augustus 2022 in de Gelderlander. Tekst Jonah Falke | Fotografie Peter van Tuijl

DIERENKRONIEK III door Jonah Falke

de dierenartsassistente

Dierenartsassistente Henrieke controleert een hond.

In de ochtend wordt er geopereerd. Vandaag liggen er in de uitslaaphokken een konijn en een hond die beiden gecastreerd zijn, en een kat die last had van een verstopte urinebuis. Het konijn begint nog in zijn roes van een wortel te eten. De hond is ver weg, onder narcose. De kat tilt verveeld een ooglid op en draait zich dan op zijn rug.

de niet te versmaden wortel …

Als je door de lamellen van deze dierenartspraktijk in Winterswijk kijkt, zie je een ziekenhuis voor mensen. Slechts een straat scheidt de twee. Deze morgen heeft een baasje zijn hond hier achtergelaten, en is zelf naar het ziekenhuis gegaan. Zullen het dier en het baasje aan elkaar gedacht hebben toen ze behandeld werden? Henrieke Bleumink (30) zegt lachend dat ze geen idee heeft, maar ze weet wel veel andere dingen. Ze werkt al twaalf jaar als dierenartsassistente en in die jaren is er veel veranderd. ‘Ik denk dat mensen tegenwoordig meer met dieren begaan zijn. Misschien is het in de stad anders, maar de hond van een boer was gewoon een hond op het erf, geen huisdier.’

We lopen door de praktijk en haar collega’s zien er allemaal wat pips uit, vergeleken met Henrieke. Ze zitten waarschijnlijk meer binnen en turen door microscopen of naar beeldschermen. Henrieke’s blos verraadt dat ze veel buiten is. Naast haar werk heeft ze namelijk drie paarden, een eigen hondenschool én ze is gedragstherapeute.

vele handen

‘Therapie voor mensen of dieren?’ vraag ik.

‘Mensen met honden met probleemgedrag, maar het zijn de mensen die je vaak ander gedrag aanleert. Natuurlijk doen mens en dier het samen.’ De mensen die bij haar komen denken misschien dat het de dieren zijn die iets leren: als dieren konden lachen om mensen, zouden ze het doen.

Naast gezelschapsdierenarts is de kliniek ook een landbouwpraktijk. Ze hebben een speciale behandelruimte voor paarden. Op de deur staat: ‘Storm niet naar binnen, maar waarschuw het paard.’ Deze edele dieren verliezen hun waardigheid niet snel. Zelfs als ze verdoofd worden blijven paarden staan, alleen hun hoofd wordt ondersteund.

De deur aan de achterkant van de praktijk gaat open; er komt een paard aan voor een echo. ‘Vanochtend zijn de staart en manen ingevlochten,’ zegt eigenaar Maaike trots. Het paard – Hinte genaamd – wil niet naar binnen, ze ruikt vermoedelijk al wat er op til is. Dierenarts Luc Boogert geeft het dier een klein tikje op haar kont. Dan trekt hij een handschoen tot aan zijn oksel, smeert zijn hand in met gel, de gevlochten staart gaat omhoog: tot aan zijn ellenboog gaat hij bij het paard naar binnen. Eerst haalt hij er twee handen poep uit, dan gaat hij met een scanner naar binnen en wordt er naar de eierstokken gekeken via een monitor. De merrie is nog niet drachtig, en kan nog niet gedekt worden. Het nieuwe leven laat deze morgen nog even op zich wachten. 

Als de paardentrailer wegrijdt aan de achterkant van de praktijk, komt er aan de voorkant een aangeslagen vrouw binnen. Ze loopt regelrecht naar een spreekkamer met een grote tas. Op haar T-shirt staat ‘Je moeder’, met daaronder een afbeelding van een wereldbol, als herinnering hoe het ook alweer ontstond op deze planeet. De balie assistente springt op en zegt: ‘Och meisje, ging het niet meer?’ Ze haalt een glas water en troost de dame.

De aarde op het T-shirt is betraand als ze weer naar buiten komt. Henrieke zegt bedeesd: ‘Ze was er deze morgen ook al met haar konijn, maar het konijn heeft het niet gehaald…’ Dan komt er gelukkig een vrouw met een klein vrolijk hondje de wachtkamer binnen, en Henrieke klaart zichtbaar op. Het hondje wordt onderzocht en heeft alleen wat tandsteen, maar is verder kerngezond. Henrieke lacht breeduit als ze aan de heupen van de hond voelt en zegt: ‘Wat is dit een gespierd beestje zeg!’

Deze kroniek verscheen 12 augustus 2022 in de Gelderlander. Het is de derde van vijf kronieken die allemaal met dieren te maken hebben. In het kader van het jaar van het dier!

Tekst Jonah Falke | Fotografie Peter van Tuijl

DIERENKRONIEK II door Jonah Falke

Dieren hebben de gave om niet te oordelen en zijn onbezonnen en eerlijk.

Een verademing, vindt schrijver en columnist Jonah Falke, die daarom in deze zomerserie ruim baan geeft aan de dieren. En soms een beetje aan hun baasjes.


In Heelweg worden elke week tachtig dieren waardig gecremeerd: ‘Elk dier is een maatje dat deel uitmaakt van het gezin’

Kleurrijke plastic bloemen ‘Im stillen gedenken’ | © Peter van Tuijl

Op het eerste gezicht doet het niet onder voor een reguliere uitvaartonderneming: een afgelegen plek met veel groen en twee schoorstenen die naar de hemel wijzen. Binnen, in de verduisterde ontvangstruimte, staat een doos tissues op tafel en is er de mogelijkheid uit een ruime collectie urnen te kiezen. Hier tref je de dood in het klein: van de ovens en de graven tot de urnen, is alles is wat bescheidener. Maar of het verdriet ook kleiner is, valt te bezien. Er zijn mensen die meer van hun dier houden dan van hun partner. Zegt dat iets over de mens? Over het dier? Of beginnen ze op elkaar te lijken?

Directeur Gwendolin de Jong (48) gaat in het zwart gekleed. Ze is zo kordaat als haar onderneming: schoon, zakelijk en betrokken. Ze zegt: ‘Het verschil tussen mens en dier wordt inderdaad steeds kleiner. Vroeger was het cremeren en uitstrooien. Tegenwoordig wordt er echt afscheid genomen.’ Gwendolin vindt het belangrijk dat “de dood” geen taboe is. ‘Dieren zijn een gezinslid, een vriend, een maatje die onderdeel uitmaken van het gezin.’  Elke zondag is het hier druk op het kerkhof, en bij de uitstrooiweide. Met kerst staan er kerststukjes bij de graven. Er zijn mensen die het met minder attentie moeten doen. | Tekst © Jonah Falke | foto © Peter van Tuijl

Haar familie begon met dit werk toen hun pony overleed. Ze wilden hem laten cremeren op een persoonlijkere manier, niet als vee. Dat was destijds nog niet mogelijk. Enige tijd daarna kregen ze de mogelijkheid om het crematorium over te nemen. Al cremeren ze hier geen paarden, ze zegt: ‘Ik ben me er erg van bewust dat je een uitvaart maar een keer kunt doen. Ik heb de meeste dieren die hier komen niet levend gekend. Het zijn de verhalen van de baasjes die het doen, die me raken.’

Dan laat ze de achterkant van het crematorium zien. We passeren een kantine en een kantoortje vol vrolijke mensen. Aan waardigheid geen gebrek, maar waar de dood absoluut centraal staat, wordt ook gelachen. Geen lach zonder tragiek, en andersom.

Een medewerker bij de kleine oven tijdens een crematiesessie. | ©Peter van Tuijl

Tussen de ovens staat een radio. Een mengeling van schoonmaakmiddel en andere geuren komt me tegemoet. Er worden hier zo’n tachtig dieren per week gecremeerd. De ovenisten werken in het hart van het crematorium, bij de oven. Zij dragen er zorg voor dat de dieren waardig gecremeerd worden. Een dood teckeltje in een jasje staart me aan. Ik werp een blik in de oven en zie een glimp van een groepscrematie. ‘Sommige mensen vinden dat prima, een collectieve crematie. Het is ook goedkoper,’ zegt Gwendolin. ‘Ik kan er nog wel drie ovens bijzetten, maar ik vind een persoonlijke benadering belangrijker.. Als mensen verhuizen, willen ze hun dieren soms alsnog laten cremeren en meenemen. De dierlijke resten die opgegraven zijn worden nu alsnog gecremeerd en kunnen dan met de eigenaar mee naar hun nieuwe woonplaats.

Soms worden dieren weer opgegraven om alsnog gecremeerd te worden. | ©Peter van Tuijl

Zolang er mensen zijn leek me het een vorm van waanzin om veel van dieren te houden. Maar de eerlijkheid gebied me te zeggen dat het zien van de kleine dood me meer doet me dan ik had verwacht. Dat zit hem misschien vooral in de geur.

columnist/schrijver Jonah en eigenaar Gwendolin | © Peter van Tuijl

We lopen naar het kerkhof en ik ben blij weer buiten te zijn. ‘Dat is een typisch Duits graf,’ zegt Gwendolin. Er staan kleurrijke plastic bloemen op en ‘Im stillen gedenken’. Verderop een standbeeld van een herder, aangetast door het weer, de tijd. ‘Onze eeuwige vriend’, staat er toepasselijk.  

‘Het zien van de kleine dood doet me meer dan gedacht.’

de strooiweide | © Peter van Tuijl

Als we bij de strooiweide staan, zegt Gwendolin dat haar man zeven jaar geleden overleed. Als de overeenkomsten tussen mens en dier écht dichtbij komen, voel ik toch enige aarzeling. Was er een verschil tussen het overlijden van haar man en haar paard? Ze denkt even na en zegt dan: ‘Eigenlijk niet, nee. De urn van hem en die van mijn paarden staan samen in de woonkamer.’

Het grafveld met uitzicht op de schoorstenen van het crematorium. | ©Peter van Tuijl

De tijd mag hier dan stollen, het leven gaat door: Gwendolin kijkt op haar horloge, ze heeft een volle agenda. Maar zoals het leven doorgaat, zo doet de dood dat ook. Bij de ingang stopt een Duitse auto. De bestuurder ziet wat bleek. Uit de achterbak komt een doos. Gwendolin begroet de bezoekers met een vriendelijke glimlach.

Deze kroniek verscheen 5 augustus 2022 in de Gelderlander. Het is de tweede van vijf kronieken die allemaal met dieren te maken hebben. In het kader van het jaar van het dier!

Tekst Jonah Falke | Fotografie Peter van Tuijl

DIERENKRONIEK I door Jonah Falke

De mens is een veel gevaarlijker dier

Een groot deel van zijn leven bracht Joep (74), als vertegenwoordiger van de farmaceutische industrie, in wachtkamers door. Tijdens het wachten nam hij de tijd om de mens en zijn lichaamstaal te bestuderen. Na zijn pensioen is hij hier niet mee opgehouden. Zijn hond Naud (9) is een New Foundlander en zo groot als een kleine beer. Dagelijks roept Naud geschrokken reacties bij mensen op. Joep springt op uit zijn lerenstoel en doet angstige mensen na. Er is een vermakelijke toneelspeler aan hem verloren gegaan. ‘Uw hond moet aan de lijn,’ zeggen de mensen. Ik zeg: ‘U zit toch ook niet aan een lijn? En bent een stuk gevaarlijker dier: een mens.’


Wie zich in de interactie tussen mens en dier verdiept, stuit al gauw op de misplaatste superioriteitsgedachte van mensen, aldus Joep. Hij is niet te beroerd om zijn medemens een beetje op te voeden, of de dieren van vreemden op hun gemak te stellen. Als kind wilde hij namelijk al psycholoog worden. Hij werd geboren om de hoek van een veemarkt, en voor hij naar school ging praatte hij als jongen al met dieren. Tegenwoordig brengt hij die twee kwaliteiten samen. ‘Gister kwam ik nog twee meisjes te paard tegen. Ze vroegen of ik weg wilde gaan met Naud. Maar Naud is een eigenwijze jongen, net als ik. We zijn aanhangers van het stoïcisme. Ik zei tegen die meisjes: “Ik praat wel even met jullie paarden”. En ja, dat werkte hoor, niks aan de hand.’

Al klinkt Joep als een begenadigd therapeut, het is hem niet gelukt om zijn vrouw meer liefde voor dieren bij te brengen. Ze heeft de hond één keer uitgelaten, maar toen sleurde hij haar de bosjes in. Naud woont in de berging maar is wel tot in de woonkamer te ruiken. Het huwelijk is een compromis.

We lopen het bos in en Naud gaat ons voor: als een gids. Soms kijkt hij even achterom of we wel bij blijven. Ik vraag of Joep vroeger vaak scheve blikken trof als hij vertelde dat hij voor farmaceuten werkte. ‘Ja, en deels terecht. Maar de middeleeuwen zijn altijd dichtbij. Neem die groeiende weerzin tegen vaccineren of het afkeuren van abortus… Doe jezelf een lol, zeg. In wachtkamers heb ik mensen met de meest verschrikkelijke aandoeningen gezien, die ze gewoon hadden kunnen voorkomen.’

Middenin het bos zitten een man en vrouw op een bankje. Als ze Naud zien, staat de man op: hij kijkt ons met grote ogen en een rood aangelopen hoofd aan. Panisch roept hij: ‘Kunt u uw hond aanlijnen? Onze hond is vals en bijt uit angst.’ Even nieuwsgierig als Naud loopt Joep op de man af. De vrouw trekt de valse hond weg en het beest begint te jodelen alsof zijn leven er vanaf hangt. Joep zegt: ‘Ik heb medelijden met uw hond.’

‘Ik heb medelijden met u!’ proest de man.

We lopen verder en kijken toe hoe Naud een bad neemt in een meertje. Het beest staat tot aan zijn middel in het water, terwijl hij ons aanstaart als een ware stoïcijn. Ik zeg: ‘Misschien had je beter even met die hond kunnen praten…’ Joep zwijgt. Misschien heeft de dierenfluisteraar een slechte dag.

Het zit Joep niet lekker. Op de terugweg loopt Joep weer op de man en vrouw af. De man zegt:  ‘Lijn uw hond toch even aan, alstublieft.’

‘Waarom laten we de dieren niet even socialiseren?’ vraagt Joep. ‘Geef ze toch de kans. Weet u wel wat dat is, socialiseren?’

De man zucht getergd, kijkt kort en hopeloos naar de hemel en zegt dan: ‘Ik denk dat wij nu doorlopen, aangezien u toch niet wilt luisteren.’ De man staat op en de vrouw en valse hond volgen gedwee. De dieren luisterden niet vandaag, de mensen misschien nog minder. We kijken het stel na en Joep zegt met iets van verrukking in zijn stem: ‘Nu zie jij het ook eens, Jonah, hoe bang mensen voor dieren zijn.’

Deze kroniek verscheen 29 juli 2022 in de Gelderlander. Het is de eerste van vijf kronieken die allemaal met het dier of de dieren te maken hebben. In het kader van het jaar van het dier!

Tekst Jonah Falke | Fotografie Peter van Tuijl

PIET POST en zijn nieuwe essay

Het bijzondere van het gewone

Piet Post (1948), dichter, schrijver, beeldhouwer schrijft op de achterflap van één van zijn dichtbundels “Sorry dat ik zo optimistisch klink, zo ben ik niet altijd”.

Dit jaar (2022) schreef hij het boek HET BIJZONDERE VAN HET GEWONE met daarin 23 essays. Over Marcel Duchamp, het hyperrealisme en over het feit dat humor je leven kan redden. ‘Over de dingen die voorbijgaan, de betrekkelijkheid van het leven en hoe weinig we ons ervan aantrekken.’ Het boek is filosofisch van aard, berust op waarneming van de ‘Groten der Aarde’ en van ‘Piet himself’.

Piet beschrijft in een van de essays ‘de kunst van het alledaagse’ en heeft daarvoor een aantal van mijn foto’s als illustratie gebruikt. Hieronder het relaas met enkele beelden.

De kunst van het alledaagse I

Sinds de jaren ’80 wordt de Canadese fotograaf Jeff Wall (1946) geprezen om zijn werk in de vorm van monumentale lichtbakken: ingelijste kleurendia’s die van achteren worden aangelicht door tl-buizen. Vanaf de jaren ’90 maakt hij ook zwart-witfoto’s. Zijn thema’s zijn schijnbaar alledaags maar tegelijkertijd ongelooflijk spannend. Wat op het eerste gezicht helder en begrijpelijk lijkt, is ook complex en raadselachtig. Mysterieuze alledaagsheid zou je het kunnen noemen, het mysterie dat zich juist manifesteert als er zogenaamd niets gebeurt of niets te zien is.

Jeff Wall zou je een meester van het non-event kunnen noemen, van een gebeurtenis die als belangrijk wordt voorgesteld maar dat helemaal niet is. Daarmee wil hij doordringen in het mysterie van de alledaagsheid. Je zit in een auto, je rijdt door een donkere straat en een ogenblik zie je in het licht van de koplampen een man die omkijkt naar een gebogen voortrennende voorbijganger. Er is een vage suspense. Wat gebeurt daar? Je zult het nooit weten. Bij het zien van Walls foto besef je plotseling hoe zelden je in staat bent om het mysterie van het alledaagse te doorgronden en hoe vaak je het ondergaat zonder erbij stil te staan.

Their own pool cocktail | © Peter van Tuijl

Iemand die ook een bijzondere fascinatie heeft voor de werkelijkheid van alledag is de door mij bewonderde fotograaf Peter van Tuijl. Peter van Tuijl beschouwt zichzelf als een getuige van de dagelijkse werkelijkheid waarin gewone mensen figureren. Zijn straatfotografie ontstaat al wandelend, wachtend, pratend en kijkend terwijl zijn documentaire werk een meer conceptuele en onderzoekende bena­dering kent. In zijn straatfoto’s is vaak een verhalend element aanwezig. Hij noemt dat de dubbelheid van de werkelijkheid. Moment, kader en invalshoek van de fotograaf bepalen een ‘andere’ waarheid. Een foto kan niet gezien worden als een afbeelding van de werkelijkheid; het is de interpretatie die eraan gegeven wordt. Soms op een ernstige manier, een enkele keer op het kwetsbare af. Maar soms ook met humor of met een vleugje ironie. De bedoeling is dat we aandachtiger gaan kijken, zoals bijvoorbeeld bij de eerste foto Their own pool cocktail. Wat gebeurt daar? Heeft iemand een paar stenen in het water gegooid? Of zijn er twee mensen in het water gesprongen? Er loopt een nat spoor naar het trapje maar ook rechts zie ik natte voetafdrukken op de kademuur. Wie sprong het eerst? Bij de rechter plons spat het water hoog op, bij de linker niet meer. Ook is de linker plons groter dan de rechter …

Itchy buttocks at night in Sevilla | © Peter van Tuijl

Wat er buiten beeld gebeurt op de foto met als titel Itchy buttocks at night in Sevilla weet je niet. De dame heeft ‘Itchy buttocks’, dat zijn jeukende billen. Of houdt ze haar rokje omlaag? Waarop rea­geert de jongen? Is er iemand gevallen op straat? Wil hij iemand tegenhouden?

clothing repair ’the golden scissors’ | © Peter van Tuijl

Met de foto clothing repair ’the golden scissors’ maakt de fotograaf de toeschouwer tot voyeur. Of zoals wijlen Simon Carmiggelt zou hebben opgemerkt bij het zien van deze aantrekkelijke jonge vrouw: ‘Ook haar achterzijde was zeer bevallig.’

Met dank aan de auteur Piet Post voor het mogen plaatsen van deze blog.


EMEKE LUISTERT NAAR DE NATUUR

De kerkklok slaat zes uur als ik aanbel bij een voormalige slagerij in Brummen. Kunstenaar Emeke Buitelaar en Henk Venhorst wonen hier sinds kort.

Column Jonah Falke logeert

OERVROUW EMEKE showt haar schilderschort

De kerkklok slaat zes uur als ik aanbel bij een voormalige slagerij in Brummen. Emeke en Henk wonen hier sinds kort. Henk is overtuigd vegetariër, laat me een betegelde ruimte zien en zegt: ‘Hier heeft bloed gevloeid.’

De afgelopen halve eeuw woonde hij in een klein bos tussen Netterden en Gendringen, de plek waar ook zijn opa, vader en negen broers en zussen opgroeiden. Het kan vroeger nooit stil geweest zijn in dat huis, maar ook als je in grote familie opgroeit, kun je het zwijgen gaan verkiezen. De stilte lijkt nog steeds in hem te zitten. Later zou Emeke me toefluisteren: ‘Henk is een man zonder woorden.’

Ze ontmoetten elkaar op een datingssite. Henk was de eerste en gelijk laatste man die haar kon bekoren. Emeke gelooft niet in toeval, ze is een aanhanger van ‘holistisch denken’: verbanden en betekenissen worden gezocht en gevonden in alle gebeurtenissen.

Emeke verruilde Almere voor het bos in Netterden. Ze praat graag, draagt gewaden, lijkt de belichaming van spiritualiteit, maar is gelukkig niet van het betweterige soort.

Emeke showt het gewei op de logeerkamer van Jonah

Na het eten geeft Emeke me een rondleiding door het huis. Ze verteld me over een medicijnwiel: ‘Indianen gingen niet naar de dokter, maar luisterden naar de natuur. Als je op zo’n wiel staat, ben je in het centrum van het universum.’ Henk roept van onderaan de trap: ‘Ik ga even een endje fietsen.’ ‘Hij heeft hier niks mee,’ zegt Emeke. ‘Maar we respecteren elkaar helemaal.’

Ze laat me haar schilderijen zien, maar mijn oog valt op een foto. Op vijfentwintig jarige leeftijd ontmoette ze de schilder Anton Heyboer. ‘Op deze foto zie je onze eerste ontmoeting, in 1993. Ik kwam er om de witte neushoorn te redden.’

‘Pardon?’

‘Ik wilde geld inzamelen met een schilderij, voor het WNF. Ik vroeg of hij mijn schilderij wilde signeren, zodat het voor meer verkocht kon worden. Dat vond hij niks. Dus gingen we samen schilderen.’

De samenwerking heeft tot het einde van zijn leven geduurd. Heyboer ontsnapte aan een Berlijns werkkamp tijdens de oorlog: een Poolse schoonmaakster smokkelde hem in een container naar buiten. ‘Ik deed Anton aan die Poolse schoonmaakster denken. Zijn redding.’

Emeke in haar atelier met links een schilderij van Anton Heyboer

Heyboer wilde geen ramen of wc in zijn huis of atelier, want daar zou de energie wegvloeien. ‘Dan zou de wereld te veel binnen komen.’

‘Zelfs geen toilet?’

‘Een kamer met schelpenzand, om op te gaan zitten.’

‘Als een kat?’

‘Ja, dat deed je dan gewoon daar,’ lacht ze.

Heyboer woonde zoals bekend met vijf vrouwen. Hij ging maar een keer met een bruid naar bed, ‘want hij wilde ook die energie in de schilderijen stoppen.’

‘Heb jij nooit een bruid van hem willen worden?’

‘Jij wilt toch ook niet met iedere vrouw die je tegenkomt trouwen?’

We bekijken stapels schilderijen die ze samen maakten. Emeke’s werkplek is het tegenoverstelde van de bedompte wereld van Heyboer: de voormalige slagerij is licht, kaal, schoon en overzichtelijk.

Na het fietsen komt Henk even bij ons staan. Ik vraag of hij zijn ouderlijk huis mist. ‘Veel onderhoud, en een mens wordt niet jonger.’

Er zal een windmolenpark komen in de buurt van het bosje.

Henk voelt zich een beetje schuldig tegenover de mensen in Netterden; hij is een gewone sterveling, die het verliest van het systeem. ‘Mensen dragen nu een pak, maar veel verder in de ontwikkeling dan het recht van de sterkste zijn we nog niet. Dat is Darwin,’ zegt hij. 

‘Denk je nog vaak aan dat bos?’

‘Nee, de natuur is hier ook prachtig, en om de hoek.’

Ook dat is Darwin: zij die zich aanpassen, overleven.

Emeke en ik drinken thee en luisteren naar een cd met liederen van Anton Heyboer. Als je geen tempo of toonsoort afspreekt, is niets verkeerd. Heyboer zingt als een kraai, maar wel met een overtuiging waar het velen aan ontbreekt. ‘Hij ging in alles voorbij aan mooi of lelijk, er bestond geen goed of slecht. Ik vind dat ontroerend, als je zo kunt leven en denken.’

Het holistisch denken van Emeke is besmettelijk: op het moment dat ik in het bed stap, slaat de kerkklok elf keer. Maar wat dat betekent, hoef ik niet te weten.

Deze column werd op 25 augustus 2021 gepubliceerd in de Gelderlander [Tekst Jonah Falke, Fotografie Peter van Tuijl]

HET IS OOK FIJN ALLEEN TE ZIJN

Het begin van het paradijs zou zomaar in een vakantiepark in Lochem kunnen liggen. Op deze plek ontmoeten eenzaamheid en samen zijn elkaar.

door Jonah Falke

Frederike en Zarah bekijken elkaar met verrekijker, refererend aan vriend en schrijver A.L. Snijders’bundel ik leef aan de rand van de wereld | foto’s © Peter van Tuijl

Het is bloedheet. Ik loop langs een drukke weg, maar kijk goed om me heen, want hier, ergens tussen de velden, schreef de recent overleden schrijver A.L. Snijders zijn oeuvre bij elkaar.

In het paradijs geloof ik niet meer, maar het voormalige receptiegebouw van een vakantiepark aan de rand van Lochem, had het begin kunnen zijn. Oude bomen, twee katten, een hond en Frederike (40) en haar dochter Zarah (18) wachten me op. Alle deuren staan open en Billy Holliday zingt. Frederike zegt dat er veel eenzame mannen op het vakantiepark wonen. Ik aai een kat, maar wordt gewaarschuwd: het beest heeft eens de slagader van de dierenartsassistente doorgekrabd. ‘Dat ging bijna mis. De kat staat daar nu op een zwarte lijst.’ Dat er in het paradijs eenzame mannen en gevaarlijke dieren wonen, verbaast me niet.  

Zarah hoorde gisteren pas van mijn komst. ‘Mijn moeder heeft wel vaker mensen uit het boekenvak over de vloer. Soms vind ik dat ongemakkelijk, maar jij bent wel oké, volgens mij.’ Frederike kondigde schrijver Arnon Grunberg eens aan, en zei toen dat ze jaloers was dat hij zo dichtbij anderen komt, door in andere werelden te duiken. ‘Daarom heb ik jou ook uitgenodigd.’ Ik zeg dat Grunberg ook bij mij het besef aanwakkerde dat het verhaal niet alleen thuis te vinden is.

We praten over de psychiatrie. Frederike en ik zouden in een ander leven hulpverlener willen zijn. Dochter Zarah is als kind in aanraking gekomen met jeugdzorg en zal wel hulpverlener worden. Na de zomer begint ze met studeren. Zarah zoekt een kamer in Arnhem. Frederike herkend haar vrijheidsdrang. Ze ging op haar vijftiende uit huis.

‘Ik ben wel blij dat je niet meteen naar de andere kant van het land verhuist.’

‘Als we twee oude dametjes zijn, gaan we toch weer samenwonen, mam?’

‘Ja, zoveel leeftijdsverschil is er ook niet.’

Frederike raakte op haar eenentwintigste per ongeluk zwanger en beviel toen de relatie alweer over was. Op haar zestiende begon ze als boekverkoopster in Lochem, ze werkte er tot een paar maanden terug. Nu werkt ze in boekhandel Praamstra in Deventer. Ze behaalde alleen een basisschooldiploma maar heeft zich de wereld in gelezen.

Tijdens het eten komt A.L. Snijders ter sprake. Frederike was bevriend met hem. Ze spraken en zagen elkaar geregeld. Dat hij er niet meer is, is nog te abstract om iets eenduidigs over te zeggen. ‘Als we rouwen, rouwen we om het verlies van de ander én om het verlies van een deel van onszelf,’ schreef mijn voormalige uitgever, tegenwoordig manager Oscar van Gelderen eens.

Na het eten gaat Zarah op studentenkamers reageren. Ze zegt: ‘Ik wil best soms samen eten met huisgenoten, maar ik vind het ook fijn om alleen te zijn. Ik wil niet ergens wonen waar je steeds bang moet zijn dat er iemand op je deur klopt.’ Frederike en ik lachen instemmend. Frederike heeft überhaupt nog nooit samen gewoond, ikzelf heb een latrelatie. Het zijn – en blijven – van een individu is onvermijdelijk.  

We laten de hond uit, maar het beest weigert snel. Ze heeft iets aan haar poot, maar ook veel gevoel voor dramatiek, volgens Frederike. We lopen verder zonder de hond.

Als we het vakantiepark weer naderen, haalt Frederike een dik pak post uit de brievenbus. ‘Al een tijdje niet geleegd.’ Zarah steekt haar hoofd uit het dakraam en zegt: ‘Mam, ik mag op mijn eerste kijkavond komen, bij iemand die Zwaan heet. Bijzondere naam, hè?’ We gaan zitten, drinken koffie, Frederike bladert door de post en dan wordt het stil. Het rouwkaartje van Snijders is aangekomen. Het is alsof zelfs de vogels even stoppen met zingen. Aan jaartallen is niets abstracts.

Als ik in bed lig, komt er een dier aanrennen. Ik ben bang dat de kat me zal bespringen, en bedenk me dat ik één oog wel missen kan. Ik zet me schrap, maar het is de hond. Na een korte inspectie met wat gesnuffel, vertrekt ze weer. Leven is uiteindelijk ook niet meer dan bedenken wat je kunt of moet missen. Na een korte inspectie vertrek je weer, zoals een snuffelende hond of logé dat doet.

Dit artikel verscheen in de Gelerlander op 11 augustus 2021 in het kader van de zomercolumns Jonah logeert | Tekst Jonah Falke en fotografie Peter van Tuijl.

Jonah Falke logeert

Sinds 1666 is elke reiziger welkom, nog steeds!

Een bijzondere uitspanning, al vanaf 1964. Gemaakt tot wat het nu is door een buitengewone man. De vader van Ben Kaak.

“Als er iemand kwam, was hij zo blij …”

De huidige uitbater Ben Kaak, “Mijn vader was een vrijdenker”.

Op de dag dat ik logeer in Hotel de Roode Leeuw wordt er een boek over de roemruchte, voormalige eigenaar Stef Kaak gepresenteerd. Naast hoteleigenaar was hij de man die Kaak – een multinational op het gebied van broodbakmachines – groot maakte. Hij was iemand waar meer anekdotes over te vertellen zijn dan er dagen in het jaar zitten.

In de schaduw van een bedrijvenhal wordt het eerste exemplaar uitgereikt. Er zijn oud werknemers, managers en ook de familie Kaak is aanwezig. De vrouwen zien er onberispelijk uit. De mannen proberen het wel en dragen een colbert en blouse, eronder een spijkerbroek en leren schoenen, maar de schwung ontbreekt. Ze lijken het met tegenzin te dragen. Niemand wil voor ijdeltuit versleten worden.

Na een glas champagne verdwijnt iedereen met een boek onder zijn arm van het bedrijventerrein. Ik ga naar de plek waar sinds 1666 een herberg stond. Als de stadpoorten sloten, konden reizigers toch nog ergens overnachten. Tegenwoordig is het een hotel, maar het ziet er nog steeds uit zoals het er voor de oorlog uitzag. Een etablissement met dik tapijt en vriendelijke medewerkers. Hier zet de schwung wél door. Sleets is het allerminst. Sommige dingen hebben weinig vernieuwing nodig en zijn niet ten gronde gericht door de terreur van trends.

INBOEDEL

Ben, de jongste zoon, is sinds 2010 uitbater van het hotel met zijn vrouw, Hanneke. Ze geven me een rondleiding. Vader Stef kocht het pand in 1964. ‘Als er iemand kwam was hij zo blij, dat hij bijna alles gratis weg gaf. Dat sprak zich rond en zo kwam de loop erin. Toen het teveel werk werd, is hij het gaan verhuren.’ Maar Stef bleef onderdeel van de inboedel. Hij had een eigen hotelkamer, at er dagelijks en als iedereen sliep zat hij buiten op het terras om de boel in de gaten te houden. ‘Eigenlijk kon dat niet, maar zijn idee was dat hij uiteindelijk verantwoordelijk was als de huurders zouden vertrekken.’

Hij leefde zoals je het zou willen: een eigen universum scheppend buiten de marge. Naast een slimme handelaar, was hij iemand met een groot hart. Hij gaf een miljoen aan zijn werknemers en met Kerst een half varken. Van bureaucratie moest hij niets weten. ‘Hij was niet links of rechts, maar een vrijdenker.’ Dat blijkt ook wel als je in de ontbijtzaal zit. De portretten van de sprekers die hier door de jaren kwamen, hangen aan de muur, van Joris Luyendijk en Femke Halsema tot Pim Fortuyn kort voor zijn dood, en Ayaan Hirsi Ali, voor ze vluchtte. ‘Hirsi Ali bleef slapen. Alle gordijnen waren de hele dag gesloten en drie vluchtauto’s stonden constant op de wacht. Voor Wilders kregen ze de beveiliging niet rond.’

de gasten in de Roode Leeuw

De rest van de dag zit ik op het terras. Kijkend naar de gasten besef ik me dat je er weinig aan hebt om uitgesproken links of rechts te zijn; de gastvrijheid overheerst, iedereen is welkom, zoals vroeger, wanneer de stadspoorten gesloten waren. Je kijkt uit op een kruispunt – waar het ongeluk altijd op de loer ligt. Er staat een verkeersbord met de woorden: ‘Kijk of je gezien wordt.’ Hier hoef je je nooit te vervelen, dus waarom zou je vertrekken? Een leven zonder risico is het leven niet waard. Het is iets dat iedere ondernemer weet.

Al woont Ben hier niet zoals zijn vader dat deed, zijn lach is altijd ergens te horen in het hotel. Hij komt bij me zitten. Ik was hier voor het laatst in de lockdown. Ben heeft weinig talent voor somberte, maar de globalisering kwam ook in Terborg tot stilstand. De wereld is overal. Het werd onaangenaam stil.

Nu is de wereld terug. Dat stemt Ben vrolijk, maar hij zegt ook een tikje bedrukt: ‘Corona heeft de mens niks geleerd. In de jaren zestig waren er drie miljard mensen. Nu bijna acht, en jaarlijks komen er negentig miljoen bij. Als je daar goed over nadenkt, wordt je daar niet vrolijk van. Je kunt er maar beter om lachen.’

Aan het ontbijt kijkt Pim Fortuyn me aan. Ik denk terug aan de boekpresentatie. Het was een blik in de toekomst: de kleinkinderen stonden met een even heldere en onbevreesde blik als hun opa beleefd te luisteren naar de ouderen. De kunst afkijken en bedenken hoe het anders kan op deze wereld.

Ben Kaak en zijn vrouw Hanneke op de logeerkamer van Jonah Falke

Tekst door Jonah Falke – fotografie Peter van Tuijl

Deze zomercolumn verscheen in de Gelderlander van woensdag 4 augustus 2021

BEELDHONGER

Hans Neinhuis stuurde me een mail met als titel ‘INSPIRATIE OOK’.

Deze foto stuurde Hans in 2020 voor een jubleumboek. De corona had reeds zijn intree gedaan. De tekst die hij aanleverde was: # Don’t stand, don’t stand so # Don’t stand so close to me # Nog even van toepassing, hopelijk niet lang meer! | © Hans Neinhuis

Dag Peter, Musea en exposities bieden ff geen inspiratie helaas. Geestelijk , ik heb altijd wel honger, en financieel minderbedeelden moeten dan creatief zijn. Boeken kunnen een oplossing zijn. Toen ik nog Zwart/Wit dacht las ik de Engelse Black & White. Die hadden eens een maandelijks item : Building a Classic Photography Library. Weer eens van stal gehaald, het is gestopt in 2013. Maar in deze donkere dagen een goed alternatief voor de donkere kamer.

50 boeken over fotografie, zo te zien en zo te lezen. En dat voor nop! Twee boeken heeft Hans al voor ons uitgezocht Als je eenmaal op deze site bent kun je in het selectie vak een boektitel of auteur typen of gewoon Photography … toegang tot vele boeken.

Street Photography: From Atget to Cartier-Bresson | Clive Scott | download (1lib.nl)

Vivian Maier: Street Photographer | Vivian Maier, John Maloof, Geoff Dyer | download (1lib.nl)

Met dank aan Hans

Amerika great again ?

Fotograaf Wim Poland stuurde me de volgende blog. Met veel plezier publiceer ik die!

Soms kom je op internet heel opvallende fotografie tegen. Goed doordachte series of reportages die bijzonder zijn qua thema en vorm. Zo ook de serie (boek) “The White House China”

De fotograaf Kathleen Clark neemt je mee in een reflectie op het “vrije Amerika” en het onrecht achter de Amerikaanse façade van gelijkheid voor alle burgers.

George W. Bush. President from 2001-2009, Abu Graib, Dinner plate, c 2020 | © Kathleen Clark7

Ze gebruikt daarvoor de tijdlijn van presidenten van de laatste eeuwen en het servies wat ze gebruikten tijdens de vele historische etentjes in het Witte Huis. Het servies bestaat uit Chinees porselein, metafoor voor de kwetsbaarheid van die Amerikaanse burgers die weinig of geen eigen beschikkingsrecht genoten. De borden zijn opgesierd met beeltenissen die refereren aan de persoon of het beleid van de bedoelde president.

Ik kan niet wachten op het bordje van de huidige president. [blog van Wim Poland]

Jos: “als kind wilde ik al bakker worden”

Jos kneedt een brood op een speciale manier volgens oude tradities | © Peter van Tuijl

Het is half vijf ’s ochtends. Er is nog geen mens op straat maar de vogels weten dat het snel licht zal worden. Ze fluiten alvast de prelude van de dag. Op dit verlaten uur zijn er in een door TL verlichte bakkerij in Silvolde twee mannen aan het werk. Bakker Jos en zijn zwijgzame knecht Hein.

Hein, bakkersknecht én neef van Jos, al vroeg in de weer met de machines | © Peter van Tuijl

Trots laat Jos me zien wat hij iedere nacht doet. ‘Ik zou niet anders willen dan ’s nachts werken, stel je voor dat je iedere dag tot vijf uur op kantoor zit.’ Het zweet staat op zijn voorhoofd, hij praat maar werkt wel geroutineerd door. Hij ziet eruit als een echte bakker, fors postuur en een schort vol meel, en zijn lof voor goed, vers en warm brood lijkt oneindig. Toch werd hij maar per toeval bakker. Als kind proefde hij het koekdeeg bij deze bakkerij en vanaf dat moment wilde hij niet meer vertrekken. Hij studeerde Brood en Banket en werkte de eerste jaren in dienst van zijn voorganger Wolters. Familie Wolters heeft op deze plek voor honderd jaar gebakken. Maar de laatste ‘was een vrijgezel die met zijn moeder woonde.’ Jos nam de zaak over en gaf het vijfentwintig jaar geleden zijn eigen naam.

Het (letterlijk) knippen van het brooddeeg | © Peter van Tuijl

‘Nu is het geen familie bedrijf meer,’ zegt Jos, al heeft het daar eigenlijk wel alle schijn van: zijn vrouw doet de administratie, Hein blijkt zijn neef te zijn en op zaterdagen brengt zijn broer broden rond. ‘Is er al een opvolger?’ vraag ik. Hij wijst op de knecht in de verte en zegt lachend: ‘Hein misschien? Maar dat moet ik niet te hard zeggen natuurlijk.’

Met een mes worden er sneetjes gemaakt in de bovenkant van broodjes, dan wordt er eigeel overheen gespoten en gaan ze in de oven. Een andere oven piept. Er komt een wolk rook uit en de temperatuur neemt toe in de bakkerij. Jos duwt met grote handschoenen de zwartgeblakerde karren vol dampende broden naar een deuropening waar ze zullen afkoelen. Ik durf het Jos niet te zeggen, maar zo’n tien jaar terug, op weg van een café naar huis, heb ik een krentenbol bij hem van zo’n kar gestolen.

Het wasemt de oven uit | © Peter van Tuijl

Terwijl Jos afgekoelde broden in zakken verpakt zegt hij dat deze voor een bejaardentehuis zijn. ‘Daar brengen we altijd de eerste broden heen aan het begin van de ochtend.’ Zij die de kortste levensverwachting hebben, krijgen het verste brood? Zo zou men ook eens met ontwikkelingslanden om kunnen gaan.

Jos vind het leven te kort om niet altijd vers brood te eten. ‘Mensen zeggen altijd dat het zo fijn is om vers brood te eten als ze op vakantie zijn, maar dat kan thuis ook, hè? Dan is het altijd vakantie.’ Zelf gaat hij twee keer per jaar op vakantie, met carnaval en de kermis. ‘We rijden dan een paar uur Duitsland in en dan kom je al op de mooiste plekken. Goed eten, goede hotels, wat wil je nog meer?’ Ik heb geen idee. Dan kijk ik naast hem en het toeval wil dat er een paar lege kratjes opgestapeld zijn van zwart, rood naar geel.

Saskia en de speciale appeltaart |© Peter van Tuijl

Om zeven uur komt banketbakker Saskia aan. Ze werkt hier al vijfentwintig jaar en zegt: ‘In de eerste weken van de coronacrisis werden er geen taarten verkocht. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Het kwam pas weer toen mensen beseften dat ze echt thuis moesten blijven en niet uit konden.’ Dan voltrekt zich de magie van een ambacht voor mijn ogen: binnen een paar minuten maakt ze twee slagroomtaarten. Ze doet alles snel en soepel. Het ziet er doodsimpel uit. In haar jaloersmakende gemak tekent zich het vakmanschap.

Dit was de 3e column van JONAH FALKE in de reeks NACHTWERK [verschenen in de Gelderlander op dinsdag 18 augustus].

Met boterhammetje achter het stuur !

NACHTWERK door Jonah Falke [column 2]

Nachtzuster Annelies Wiggers van Sensire [Groenlo] bezig met de planning van haar nachtrit | foto Peter van Tuijl

In een stad wordt het nooit echt donker, maar hier wel. De kleine auto van nachtzuster Annelies vliegt langs de weilanden en ondertussen praat ze druk over haar werk. Ze spreekt met het Achterhoekse accent dat me aan mijn grootmoeder herinnert.

‘Ik voel me veiliger op het platteland dan in een stad. Want hier gebeurt toch niks?’ zegt ze. Die opvatting deel ik niet met haar: ik zie in razend tempo bomen voorbij flitsen, als ik kon bidden had ik het gedaan. ‘Als je bang bent moet je geen nachtdiensten doen. Pas op – een drempel. Kun je wel schrijven zo?’

Het gebied dat ze elke nachtdienst onder haar hoede heeft is groot. Op een rustige nacht legt ze 125 kilometer af, op een drukke zo’n 250. Tijd om pauze te houden is er niet altijd. Dan eet ze de boterhammen achter het stuur.

Ze wordt gebeld. Via de carkit klinkt: ‘De catheter van meneer is verstopt. Je moet er vannacht even heen. Zijn urine is slijmerig en rood.’

Nuchter zegt Annelies: ‘Is er nog spoelvloeistof?’ Ik vraag wat ik kan verwachten. ‘Mensen die gevallen zijn, die benauwd worden, omgedraaid moeten worden. Soms begeleiding van familie die bij hun dierbare waken. Het is heel afwisselend werk, geen nacht is hetzelfde. Alleen mensen op de wc zetten zou niet echt verheffend zijn, hè?’ zegt ze met een knipoog.  

Ik verheug me om mee te kijken: hoe ze mensen helpt, hoe het bij de mensen thuis eruit ziet en ruikt, maar dan volgt een lichte teleurstelling. Als we in een woonwijk stoppen zegt ze dat ik niet mee naar binnen mag. ‘Hoezo?’

‘Stel je voor dat jij daar in een bed ligt, in je eigen huis? Je komt hun wereld binnen.’

Er is niet goed gecommuniceerd en als een leeuw voor haar jongen werp zij zich op voor haar klanten. In de kleine auto met beslagen ramen zitten we te discussiëren. ‘Wat wil je zien dan? Dat ik de suikerspiegel meet, iemand van de wc haal?’ Ik knik. ‘Dat is privé en allemaal niet zo bijzonder hoor,’ zegt ze als een boer die zijn vee liefdevol doch praktisch verzorgt. Ik geef het op. Mijn sympathie voor haar beschermende houding jegens de fragiele mensen wint het. Dan zegt ze tot mijn verbazing: ‘Oké, ik zal vragen of je binnen mag komen. Als ik niet terugkom moet je een halfuur wachten.’ Ze komt terug. In de woonkamer zit een vrouw in een rolstoel te glimlachen. Ze komt uit Delft, haar tongval vormt een mooie dissonant met die van Annelies. Ze zegt: ‘Ik zit al 43 jaar in deze rotstoel. Ik heb suiker en kan niet lopen. Heb het wel geprobeerd, maar toen brak ik mijn heup en ben ik blijven zitten.’ Ik ga de slaapkamer niet in, maar hoor het gestommel en gesteun. Dan vang ik Annelies’ stem op: ‘Welke bil is er aan de beurt?’ De vrouw krijgt een insuline-injectie en zegt: ‘Best gezellig dat je iemand mee hebt vanavond, dan ben je niet zo alleen.’

Toch denk ik: een nachtzuster bestaat bij de gratie van alleen kunnen werken. Alles moet efficiënt in de nacht. Ik kijk de donkere woonkamer vol zalmkleurige meubels rond en zie dat zo’n kort moment in de nacht van belang is om niet naar een verpleegtehuis te hoeven. Deze mensen leven nog thuis, in hun vertrouwde omgeving, in relatieve vrijheid. Zonder Annelies is dat onmogelijk. Ook dit soort one-night-stands zijn vluchtig, maar nooit zonder betekenis.  

Tekst Jonah Falke | Fotografie Peter van Tuijl | Plaatsing in de Gelderlander van 7 augustus 2020

de mond als sterkste wapen

Miranda Vlaswinkel, nachtbewaker van Globe Security in de Achterhoek | fotografie Peter van Tuijl

ZOMERSERIE NACHTWERK

Schrijver en columnist Jonah Falke offert deze zomer een deel van zijn nachtrust op. Voor De Gelderlander kijkt hij een keer per week wie er in de nachtelijke uren aan het werk zijn.

In het holst van de nacht rijdt Miranda Vlaswinkel (27) stapvoets over industrieterreinen. Haar portofoon brabbelt onverstaanbaar voor een buitenstaander maar Miranda zegt telkens: ‘Dat is begrepen.’ Haar werk bestaat uit het in alle eenzaamheid surveilleren bij bedrijven. Op een man met een kinderwagen die langskomt en een wegschietend konijn na, gebeurt er nog niets.

Soms stappen we uit en controleert ze met een zaklamp een gevel en voelt of alle deuren wel afgesloten zijn: ‘de zwakke plekken van bedrijven.’ Haar rechtvaardigheidsgevoel en de zin om problemen te voorkomen is groot. ‘Alles wat nachts leeft, klopt niet,’ zegt ze. ‘Dit is het mooiste werk van de wereld. Spanning opzoeken, daar hield ik als kind al van.’

Ondanks dat Miranda weinigen tegenkomt, verraden haar vuurrode nagels dat ze ervan houdt tiptop eruit haar werk te doen. | foto Peter van Tuijl

Haar werk blijkt te bestaan uit kalmte óf actie. Een opmerkelijk combinatie. De enige constante is haar alertheid. We krijgen een melding van een inbraakalarm bij een voetbalvereniging. Met rode nepnagels tikt ze op haar telefoon voor het adres, binnen een paar minuten zijn we ter plaatse. Het pand wordt ‘extern gecontroleerd’. De zaklamp zwiept langs muren, hekken en over het verlaten voetbalveld. Dan gaan we naar binnen. Ze is ongewapend maar loopt breed. Haar mond is haar sterkste wapen, zegt ze. Er hangt een vergeten jas over een stoel maar er is geen mens te vinden.

We rijden verder en Miranda vertelt dat ze ‘s nachts tot leven komt en veel plekken alleen in het donker en verlaten kent. Kijkend naar de loodsen vraag ik me af wat hier in godsnaam te halen valt. ‘Er zijn trends in de onderwereld,’ legt ze uit. Eerst waren tandartspraktijken populair, voor de verdovende middelen en boortjes, nu wielrenfietsen en aanhangers. Gereedschappen als bladblazers zijn waardevast.

Een bestelwagen komt ons tegemoet en ze zegt: ‘Dat is raar.’ Als ze de achtervolging wil inzetten, blijkt de auto al gevolgd te worden door de politie. ‘Hij heeft ladders op het dak, wat moet je daarmee hier om twee uur ‘s nachts?’ Haar stem is als haar oog: snel en scherp. We volgen de politie en de bestuurder wordt staande gehouden. Lachend zegt ze dat ze haar werk uit handen nemen. Ze rijdt rustig verder.

Later die nacht gaat er nog een inbraakalarm af bij een tankstation. Ze is trots op haar aanrijtijden, de transparantie van het bedrijf en dat ze eigenlijk nooit fouten maakt. In gemiddeld vijf minuten is ze ter plaatse. ‘Dat geeft de klant een veilig gevoel, die aanrijtijden worden meteen doorgegeven aan ze. En als er iets bijzonders is, maak ik een foto die ze meteen te zien krijgen of je belt de politie.’

Haar akeligste ervaring in de nacht is een zelfmoordpoging. ‘Ik werd opgeroepen door een instelling voor jongeren met gedragsproblemen. Zat daar een meisje met een mes op haar pols, maar het praten van ons team heeft geholpen. Ze leeft nog.’ 

Normaliter doet ze dit werk alleen. Het zijn immer unheimische plekken en in haar wereld deugen mensen die ‘s nachts leven vaak niet. Traag opent ze het rolluik van het tankstation en gaat ze naar binnen. ‘Je weet nooit wat je aantreft, maar als je bang bent kun je dit werk niet doen. Ik ken geen angst en hou van adrenaline. Ik woon nog thuis en iedere avond zegt mijn vader dat ik goed uit moet kijken.’

Ik dacht altijd dat mensen die geen angst kennen, levensgevaarlijk waren. Maar dat valt mee. Onbevreesd en met veel plezier gaat Miranda te werk en zegt: ‘Sommige mensen wil je ’s nachts echt niet tegenkomen.’ En dan geruststellend: ‘Maar de meeste zijn banger voor jou, dan jij voor hen.’

Ik ken geen angst en hou van adrenaline. Ik woon nog thuis en iedere avond zegt mijn vader dat ik goed uit moet kijken. | foto Peter van Tuijl

Miranda zegt het jammer te vinden dat ik geen echte inbraak heb meegemaakt. Ze zet de autoradio aan en vervolgt haar tocht alleen. Aan het eind van de ochtend stuurt ze me een berichtje: ‘Je hebt niks gemist de rest van de nacht.’

Deze column over de nachtwerkers verscheen in de Gelderlander op 21 juli 2020.

HEIMAT

door Jonah Falke

Er zijn theorieën dat Vincent van Gogh maar een middelmatig schilder was geweest als hij niet naar de zon was vertrokken en in Brabant was gebleven. Daar sluit ik me deels bij aan. De aardappeleters vind ik een benauwd schilderij, vergelijkbaar met De avonden van Reve: het heeft slechts de schoonheid van een raak tijdsdocument. De levenslust sloop in mijn ogen pas in Van Goghs werk toen hij naar elders vertrok. Je verplaatsen – om tot iets anders te komen – lijkt me net zo natuurlijk als de zon die in het oosten opkomt en in het westen ondergaat.

De schilderijen die ik een paar jaar terug elders maakte ontstonden in een donker atelier met tl-licht, zonder daglicht. In Zundert wilde ik juist helder werk maken. Ik koos er daarom voor om hier juist in de zomer te verblijven.

Hoe zijn werk ook veranderde, Van Gogh is nooit helemaal losgekomen van deze geboortegrond. Vlak voor zijn dood, na jarenlang verblijf in wereldsteden, schrijft hij zijn moeder: ‘Ik ben er toch als een boer uit Zundert uit blijven zien. Ik verbeeld me soms ook dat ik zo gevoel en denk. Alleen zijn de boeren van meer nut in de wereld.’

Los van dat ik me verwant voel met Van Gogh vanwege zijn relatieve armoede, zijn geworstel als kunstenaar en zijn werkethiek, schreef ik in 2016 een roman, Bontebrug, over een jongen die het Achterhoekse platteland verruilt voor Amsterdam om schilder te worden. Ook hij komt niet los van zijn heimat en voelt zich in de stad ontheemd en waarschijnlijk meer verwant met de mensen uit het dorp.

Aangezien het schrijven alles overstemt de laatste jaren van mijn leven, leek het me verstandig om het schrijven in Zundert niet te vergeten maar te gebruiken. Elke dag schreef ik, net als Van Gogh aan zijn broer, over het schilderen an sich, het dagelijks leven in Zundert en de chaos in de rest van de wereld.

En, in het atelier schilderde ik portretten van schrijvers die me ontroerd hebben de afgelopen jaren. Wat deze mensen gemeen hebben met Van Gogh is dat ze hun geboortegrond hebben verlaten. Sommige vanwege hun geloof, andere gestuwd door nieuwsgierigheid, maar allen blijven ze zich in hun werk verhouden tot de plek waar ze vandaan komen.

Over Jonah Falke
Jonah Falke (1991) werd geboren in Ulft en studeerde fine art painting aan ArtEZ, Enschede. Hij exposeerde in binnen- en buitenland en maakte als frontman van de band Villa Zeno de plaat Self Made Woman. In 2016 verscheen zijn debuutroman Bontebrug, in 2019 volgde De mooiste vrouw van de wereld. Hij schreef voor Vrij Nederland, See All This, ELLE, HP/De Tijd en VPRO Nooit meer slapen en is vaste columnist bij de Gelderlander en op het Lebowski Blog. In september 2020 verschijnt er een documentaire van Ruut van der Beele over zijn werk en leven. Het slot van de film is zijn verblijf in Zundert. Eind 2020 verschijnt er een boek van alle schilderijen en teksten die hij hier maakte.

FOTOGRAFIE PETER VAN TUIJL